gebeurlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·beur·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen gebeurlijk
verbogen gebeurlijke
partitief gebeurlijks

Bijvoeglijk naamwoord

gebeurlijk [1]

  1. dat wat kan gebeuren
    • Dit handelsmerk zou dienen aangebracht op het met de hand vervaardigde kantwerk. Gebeurlijk mits vermelding van de specifieke naam van de kant. Wanneer de kant mechanisch vervaardigd wordt, zou dit eveneens moeten worden aangeduid. [2] 
    • Wat gebeurt of plaats vindt, is het gebeurlijke. Gebeurlijk is wat weliswaar gebeurt, maar ook niet kon gebeuren, iets waarvan het gebeuren ook achterwege zou kunnen blijven bv. alweer een ongeluk. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

24 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia (1954)– [tijdschrift] Vlaanderen Kunstleven
  3. C.W.M. Verhoeven (1960-1961)– [tijdschrift] Roeping Drie etymologieën van aanwezigheid