gebel
Uiterlijk
- ge·bel
- Naamwoord van handeling van bellen met het voorvoegsel ge-[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gebel | |
| verkleinwoord |
het gebel o
- het aanhoudend bellen of schellen
- Het continue gebel in de klas was heel irritant.
- Het woord gebel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "gebel" herkend door:
| 65 % | van de Nederlanders; |
| 57 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be