geallieerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·al·li·eer·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geallieerde geallieerden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

geallieerde [1]

  1. persoon die zich ergens aan geallieerd heeft
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van: alliëren…
verbogen vorm: geallieerdee

geallieerde

  1. verbogen vorm van geallieerd, voltooid deelwoord van alliëren

Bijvoeglijk naamwoord

geallieerde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van geallieerd

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen