Naar inhoud springen

geïsoleerd

Uit WikiWoordenboek
  • ge·iso·leerd
vervoeging van: isoleren…
verbogen vorm: geïsoleerde

geïsoleerd

  1. voltooid deelwoord van isoleren
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen geïsoleerdgeïsoleerdergeïsoleerdst
verbogen geïsoleerdegeïsoleerderegeïsoleerdste
partitief geïsoleerdsgeïsoleerders-

geïsoleerd

  1. afgezonderd van de omgeving
    • De besmettelijke patiënt moest in een geïsoleerde kamer worden behandeld. 
    • Het goed geïsoleerde huis was makkelijk te verwarmen. 
  2. ver weg van alles en iedereen; afgezonderd van alles en iedereen
    • Hij woonde in een geïsoleerd dorpje in de bergen. 
     In de eerste plaats liet hij de landengte van het schiereiland waar de Utopiërs woonden, doorgraven zodat het een geïsoleerd eiland werd.[1]
     Deze conclusie, zijn verklaring van plichtsbesef en de resten van zijn garnalensoesje spoelde hij weg met een grote slok zoete witte wijn, terwijl ik bleef zitten met de vraag hoe hij vanuit dit geïsoleerde hotel, dat op honderden kilometers van zee lag, leiding gaf aan een intercontinentaal georiënteerd maritiem bedrijf, maar ik durfde het niet te vragen, want hij had alweer een nieuw roesje in zijn mond gestopt.[2]
  1. Hans Achterhuis
    “De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9026315244
  2. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 30