geïsoleerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·iso·leerd
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: isoleren…
verbogen vorm: geïsoleerde

geïsoleerd

  1. voltooid deelwoord van isoleren
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen geïsoleerd geïsoleerder geïsoleerdst
verbogen geïsoleerde geïsoleerdere geïsoleerdste
partitief geïsoleerds geïsoleerders -

Bijvoeglijk naamwoord

geïsoleerd

  1. afgezonderd van de omgeving
    • De besmettelijke patiënt moest in een geïsoleerde kamer worden behandeld. 
    • Het goed geïsoleerde huis was makkelijk te verwarmen. 
  2. ver weg van alles en iedereen
    • Hij woonde in een geïsoleerd dorpje in de bergen. 
     Deze conclusie, zijn verklaring van plichtsbesef en de resten van zijn garnalensoesje spoelde hij weg met een grote slok zoete witte wijn, terwijl ik bleef zitten met de vraag hoe hij vanuit dit geïsoleerde hotel, dat op honderden kilometers van zee lag, leiding gaf aan een intercontinentaal georiënteerd maritiem bedrijf, maar ik durfde het niet te vragen, want hij had alweer een nieuw roesje in zijn mond gestopt.[1]

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 30