geëtter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·et·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geëtter
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geëtter o

  1. aanhoudend vervelend treiteren
    • In de mêlee gaan het staatsieportret en het videoapparaat aan gruzelementen, de twee-eiige tweeling hangt aan de tl-buizen en na een tsunami van etuis en proppen is Alex het geëtter zat: niet bepaald de-escalerend slaat hij woest om zich heen, tot de bel verlossing brengt. [1] 
    • Maar als ik opnames verklootte door te lachen, dan wist ik dat het geld kostte, dat we achter raakten op schema. Ik zag Kevin als mijn kleine broertje dat mij van mijn stuk probeerde te brengen met zijn geëtter. Dat mocht hem niet lukken. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia 7 december 2011 Eindelijk weer een leerling in top 3 Groot Almelo's Dictee
  2. Tubantia E. de Kloe 4 februari 2016 Ice Cube is even klaar met grommen