gastspreker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gast·spre·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gastspreker gastsprekers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gastspreker m [1]

  1. iemand een lezing geeft en geen lid is van het gezelschap waarvoor hij spreekt, iemand die als gast een lezing geeft
    • De Ronde van Vlaanderen 2018 verwelkomt dopingzondaar Lance Armstrong als gastspreker en invité: Een zware gok of een doordachte keuze?[2] 
    • Gastspreker is de violist Ernó Olah, die bij het Metropole Orkest speelde en lid is van het Malando Kwintet. Hij zou het publiek inwijden in de geheimen van de universele grondtoon, en kijkt nu met iets van verbazing naar de flip-over die hij zojuist volschreef met cijferreeksen en meetkundige figuren.[3] 
    • Net als vorig jaar komt De Wereld Draait Door met DWDD Summerschool, een kort college van een bekende gastspreker. Vanavond trapt Taco Dibbits af, de nieuwe directeur van het Rijksmuseum, met een college over de jonge Rembrandt.[4] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 15 DECEMBER 2017
  3. Volkskrant Ariejan Korteweg 3 maart 2017
  4. NRC 24 juni 2016
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be