gardist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gar·dist
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van garde met het achtervoegsel -ist
enkelvoud meervoud
naamwoord gardist gardisten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gardist m

  1. (militair) gardesoldaat

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
45 % van de Vlamingen.