garage

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Twee garages

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ga·ra·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘autostalling’ voor het eerst aangetroffen in 1912 [1]
  • van het Frans met het achtervoegsel -age [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord garage garages
verkleinwoord garagetje garagetjes

Zelfstandig naamwoord

garage v

  1. een overdekte autostalling
    • Zet je fiets even in de garage. 
  2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
    • Je moet die kapotte auto nu toch echt naar de garage brengen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen