gapen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ga·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gapen
gaapte
gegaapt
zwak -t volledig

Werkwoord

gapen

  1. inergatief heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
    • Hij moest gapen en trok een gek gezicht bij zijn poging het te onderdrukken. 
  2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
    • Zij stond te gapen bij dat bizarre monument. 
  3. wijd openstaan
    • Er gaapte een diepe wond in zijn arm. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
  • [3] een gapende afgrond, een gapend gat
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

gapen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gaap

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie