gapen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ga·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gapen
gaapte
gegaapt
zwak -t volledig

Werkwoord

gapen

  1. (inergatief) heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
    Hij moest gapen en trok een gek gezicht bij zijn poging het te onderdrukken.
  2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
    Zij stond te gapen bij dat bizarre monument.
  3. wijd openstaan
    Er gaapte een diepe wond in zijn arm.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
  • [3] een gapende afgrond, een gapende gat
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

gapen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gaap