galoper
Uiterlijk
- Oudfrans gualoper, galoper; oftewel van Oudfrankisch *wala hlaupen "goed lopen", van *wala "goed" en *hlaupen "springen; lopen"; ofewel van galop "galop" met het achtervoegsel -er, waarbij galop afkomstig is van een Oudfrankisch woord *walhlaup (zie de etymologie aldaar)[1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| galoper |
galopais |
galopé |
| eerste groep | volledig | |
galoper
- ↑ galoper (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.