galoche

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ga·lo·che
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord galoche galoches
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

galoche m/v

  1. (schoeisel) soort schoen die wordt gedragen over een andere schoen, als bescherming tegen vocht en vuil
    • Wat is er eigenlijk tegen de terugkeer van de elastieken overschoen, de galoche, die generaties lang de schoenen gaaf en de voeten droog hield? Mooi is hij niet, maar daar staat tegenover dat hij bij de entree met één handbeweging kan worden verwijderd, drooggeschud en in de jaszak gestopt. [2]
  2. (schoeisel) soort schoen met een houten zool
    • Een galoche is een houten instapschoen met leren riemen. In de achttiende eeuw werden deze net als "patins" en "trippen" door vrouwen als overschoenen gedragen. [3]
Synoniemen
Hyperoniemen

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

galoche v

  1. (schoeisel) galoche, klomp
  2. (schoeisel) galoche, overschoen
  3. (spreektaal) tongzoen
    «Avant de la quitter, je lui ai roulé une galoche
    Voor ik bij haar wegging, heb ik haar een tongzoen gegeven. [1]
Overerving en ontlening

Verwijzingen