gaffelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gaf·fe·len
Woordherkomst en -opbouw
  • van gaffel (mond) met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gaffelen
gaffelde
gegaffeld
zwak -d volledig

Werkwoord

gaffelen

  1. onovergankelijk (informeel) smullen
Hyponiemen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.