gaffelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gaf·fel·de

Werkwoord

vervoeging van
gaffelen

gaffelde

  1. enkelvoud verleden tijd van gaffelen
    • Ik gaffelde. 
    • Jij gaffelde. 
    • Hij, zij, het gaffelde.