għajn

Uit WikiWoordenboek

Maltees

Uitspraak
  • IPA: /ˈaˤːjn/
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Arabische عين (ʕayn).
enkelvoud meervoud
għajn għajnejn

Zelfstandig naamwoord

għajn v

  1. oog
    «Fl-ikonografija Santa Luċija tiġi rraffigurata iżżomm platt f’idejha b’par għajnejn ġo fih.»
    In de iconografie wordt Sint-Lucia afgebeeld met een schaal waarop een paar ogen ligt.