fust

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fust
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘houten vat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord fust fusten
verkleinwoord fustje fustjes

Zelfstandig naamwoord

fust o

  1. verzamelnaam voor vaten waarin alcoholische dranken bewaard worden
    1. vat waarin alcoholische drank bewaard wordt
      • Ik wilde naar een bar waar je een bier bestelt en er een kerel bij krijgt. Dat bedacht ik toen ik zag hoe een oudere man een fust bier probeerde te tillen. In de hoek stond hij te sjorren aan dat fust. [2] 
    2. wijn op fust verkopen - zonder te bottelen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
17 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen