functionaris

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • func·ti·o·na·ris
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘die een functie vervult’ voor het eerst aangetroffen in 1891 [1]
  • Van het Franse fonctionnaire (met het achtervoegsel -aris) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord functionaris functionarissen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

functionaris m [3]

  1. (beroep) iemand die een (openbare) functie vervult
  2. (beroep) ambtenaar in overheidsdienst
    • Hij was de eerste hoge Amerikaanse functionaris die het land na de verkiezingen bezocht. 
    • Dit maakte een functionaris van het ministerie van Justitie gisteren bekend. 
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen