fuifde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fuif·de

Werkwoord

vervoeging van
fuiven

fuifde

  1. enkelvoud verleden tijd van fuiven
    • Ik fuifde. 
    • Jij fuifde. 
    • Hij, zij, het fuifde. 

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.