ftaalzuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ftaal·zuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ftaalzuur ftaalzuren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ftaalzuur o

  1. (scheikunde) ieder van de drie benzeendicarbonzuren
    • Met ftaalzuur wordt vaak orthoftaalzuur bedoeld, maar dit is niet geheel juist. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

7 % van de Nederlanders;
17 % van de Vlamingen.

Meer informatie