froufrou

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • frou·frou
enkelvoud meervoud
naamwoord froufrou froufrous
verkleinwoord froufroutje froufroutjes

Zelfstandig naamwoord

froufrou m

  1. (voeding) koekje, krokant wafeltje met vanillecrème.
    • Ik koop een pak froufrou in de winkel. 
  2. (België) type haardracht, pony

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.