frotten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • frot·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

frotten

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
frotten
frotte
gefrot
zwak -t volledig
  1. klungelen en frummelen met name door met de handen ergens aan te zitten
     Helaas zijn er toch vooroordelen. Dat het iets met seks te maken heeft, bijvoorbeeld. Dat we in een soort commune leven en alle dagen met elkaar lopen te frotten. Nou, niets is minder waar.”[2]
  2. boenen, schuren
Synoniemen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. frotten op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron SABINE LEENHOUTS “'Op een warme dag gaan de kleren hier verplicht uit'” (13 jul. 2019), De Telegraaf
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be