frommel

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • from·mel

Werkwoord

vervoeging van
frommelen

frommel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van frommelen
    • Ik frommel. 
  2. gebiedende wijs van frommelen
    • Frommel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van frommelen
    • Frommel je? 

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be