frisist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fri·sist
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van Fries met het achtervoegsel -ist
enkelvoud meervoud
naamwoord frisist frisisten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

frisist m

  1. (beroep) deskundige van de Friese taalkunde
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

6 % van de Nederlanders;
12 % van de Vlamingen.