frimärke

From WikiWoordenboek
Jump to navigation Jump to search

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • fri·mär·ke

Zelfstandig naamwoord

frimärke o

  1. postzegel
    «Har du satt på frimärket på kortet?»
    Heb je een postzegel op de kaart gedaan?
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   frimärke     frimärket     frimärken     frimärkena  
genitief   frimärkes     frimärkets     frimärkens     frimärkenas  
Synoniemen
Afgeleide begrippen