fröbelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

afgeleid van de Wilhelm Augus Fröbel
Uitspraak
Woordafbreking
  • frö·be·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘spelen, vrijblijvend bezig zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1898 [1]
  • pseudo-Duits
  • afgeleid van de Wilhelm Augus Fröbel

Werkwoord

fröbelen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fröbelen
fröbelde
gefröbeld
zwak -d volledig
  1. (onderwijs) onderwijs ontvangen op een kleuterschool of kinderdagverblijf
  2. (figuurlijk) vrijblijvend creatief bezig zijn
    • Daarna volgt een stap die lijkt op fröbelen met cellen. Rivron voegde de gedifferentieerde cellen samen in millimetergrote geometrische mallen. Hij maakte zo vierkantjes, rondjes, driehoekjes, sterretjes van cellen. Dat zijn bouwstenen voor grotere stukjes weefsel. Aan elkaar gelegde driehoekjes vormden binnen 24 uur een velletje weefsel, dat met een pincet was op te tillen. En op elkaar gestapelde rondjes vormden een balkje van weefsel.[2] 
    • Ze raken maar niet gedateerd, de prachtige platen van Grandaddy uit Californië, verschenen tussen 1997 en 2006, vermoedelijk omdat ze ouderwets en modern tegelijk klinken: alsof Neil Young & Crazy Horse aan het fröbelen slaan met laptop en synthesizer, maar zich een beetje inhouden omdat er kinderen liggen te slapen. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen