forte

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
1. hard, met veel volume
(symbool in bladmuziek)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·te
Woordherkomst en -opbouw

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Bijwoord

forte

  1. (muziek) hard, met veel volume
    • Fluisterzacht of forte – de piano geeft hem vleugels. [3]

Zelfstandig naamwoord

forte o

  1. (muziek) deel van een muziekstuk dat hard hoort te klinken
    • Het was, in het eerste deel, van klank zonder uitzondering voortreffelijk in het forte (koper, hout!). [4]
  2. sterke punt, waar het best gepresteerd wordt (voorafgegaan door bezittelijk voornaamwoord of zelfstandig naamwoord in bezitsvorm)
    • Zijn voice-over maakt de film persoonlijk maar het is duidelijk niet zijn forte, zowel qua tekst („vaar met mij mee”), als qua dictie. [5]
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders
70 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Gelder, A. van De Munnik is weemoedig (27 oktober 2016) op website nrc.nl; geraadpleegd 2017-05-17
  4. Pijper, W. (ed. A. van Dijk) "Tivoli-concert 23 november 1922 (UD)" in: Het papieren gevaar. Verzamelde geschriften (1917-1947). deel 1 (2011) Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, Utrecht / Willem Pijper Stichting, Den Haag; ISBN 978 90 6375 217 0; p. 743; geraadpleegd 2017-05-17
  5. Waardenburg, A. Welkom nieuws uit rivierenlandschap (6 december 2016) op website nrc.nl; geraadpleegd 2017-05-17


Frans

Bijvoeglijk naamwoord

forte

  1. vrouwelijk enkelvoud van fort


Italiaans

Bijvoeglijk naamwoord

forte m, v

  1. sterk, krachtig
  2. (taalkunde) beklemtoond
Overerving en ontlening

Zelfstandig naamwoord

forte m

  1. fort, versterkte locatie


Latijn

Bijwoord

forte

  1. toevallig


Portugees

  enkelvoud meervoud
  mannelijk     forte     fortes  
  vrouwelijk     forte     fortes  

Bijvoeglijk naamwoord

forte

  1. sterk