forens

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fo·rens
enkelvoud meervoud
naamwoord forens forensen, forenzen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

forens m

  1. iemand die dagelijks heen en weer reist tussen de woongemeente en de werkgemeente
    • Een groot deel van de inwoners van dit dorpje is forens. 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
forenzen

forens

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van forenzen
    • Ik forens. 
  2. gebiedende wijs van forenzen
    • Forens! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van forenzen
    • Forens je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie