forceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
forceren
forceerde
geforceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

forceren

  1. overgankelijk een beslissing afdwingen
    • Het team forceerde de overwinning. 
  2. overgankelijk openbreken.
    • De dief had de deur geforceerd. 
  3. wederkerend te veel van zichzelf vergen
    • Tijdens de sprint had hij zichzelf geforceerd met een spierletsel als resultaat. 
  4. manier van metaal vervormen waarbij het metaal niet verwarmd wordt
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire