forceren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘met geweld openen’ voor het eerst aangetroffen in 1556 [1]
  • afgeleid van het Franse forcer (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
forceren
forceerde
geforceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

forceren

  1. overgankelijk een beslissing afdwingen
    • Het team forceerde de overwinning. 
  2. overgankelijk openbreken.
    • De dief had de deur geforceerd. 
  3. wederkerend te veel van zichzelf vergen
    • Tijdens de sprint had hij zichzelf geforceerd met een spierletsel als resultaat. 
  4. manier van metaal vervormen waarbij het metaal niet verwarmd wordt
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen