foncer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van Oudfrans fons, fonz (= modern fond bodem), met het achtervoegsel -er. [1]

Werkwoord

foncer

  1. overgankelijk iets van een bodem voorzien
  2. overgankelijk (kookkunst) (taarten, gebak, e.d.) van een deegbodem voorzien
  3. overgankelijk (een put, e.d.) uitgraven
  4. overgankelijk (figuurlijk) verduisteren, donkerder maken
  5. ergatief (figuurlijk) afstormen, zich storten op (sur)
  6. ergatief (figuurlijk) (spreektaal) scheuren, racen [2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron foncer in: TLFi Trésor de la langue française informatisé, Dictionnaire de la langue française, huitième édition, 1932-1935 (1971-1994) op cnrtl.fr
  2. Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 96