fokker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Fokker


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fok·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fokker fokkers
verkleinwoord fokkertje fokkertjes

Zelfstandig naamwoord

fokker m

  1. (beroep) iemand die (als beroep of uit liefhebberij) dieren houdt met de bedoeling hun voortplanting zo te laten verlopen dat hun nageslacht bepaalde erfelijke eigenschappen zal vertonen
     De meeste fokkers en handelaren doen weliswaar gewetensvol hun werk en verkopen gezonde dieren, zegt ze, maar dieren worden ondertussen ook druk gefokt voor tentoonstellingen, en daar gaat het nu juist om de uiterlijke kenmerken.[6]
  2. (verouderd) iemand die heel rijk is
     Hij is een rijke fokker.[7]
  3. (verouderd) (straattaal) rondtrekkende arme dakloze
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. fokker (iemand die fokt) op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. fokker (rijkaard) op website: Etymologiebank.nl
  5. fokker (zwerver) op website: Etymologiebank.nl
  6. Bronlink geraadpleegd op 5 augustus 2021 Weblink bron Gijsbert van Es “Ze zien er schattig uit, maar doorgefokte huisdieren hebben vaak allerlei afwijkingen” op nrc.nl
  7. Bronlink geraadpleegd op 5 augustus 2021 Weblink bron J.P. Sprenger van Eijk “Handleiding tot de kennis van onze vaderlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke zegswijzen, bijzonder aan de scheepvaart en het scheepsleven, het dierenrijk en het landleven ontleend.” (1844), J. van Baalen & zoon, Rotterdam, p. 8
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be