foelie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • foe·lie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zaadmantel van de muskaatnoot’ voor het eerst aangetroffen in 1286 [1]
  • [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord foelie foelies
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

foelie v/m

  1. (specerij) Myristica fragrans op Wikispecies een specerij bestaande uit het omhulsel van de muskaatnoot
    • In Zeeland doet men vaak wat foelie in de kippensoep. 
  2. folie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord foelie foelies

Zelfstandig naamwoord

foelie

  1. (kruid) foelie
  2. folie, metaalfolie
    «Ons wil ook graag alle bykosse vir die naweek se braai aan u voorsien, van papterte tot groentepakkies in foelie
    We willen ook graag alle bijgerechten voor de barbecue van dit weekeinde aan u leveren, van paptaarten tot pakjes groente in metaalfolie.
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
foelie
gefoelie
volledig

Werkwoord

foelie

  1. overgankelijk foliën, befoliën