foef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • foef
enkelvoud meervoud
naamwoord foef foefen
verkleinwoord foefje
foefke
foefjes
foefkes

Zelfstandig naamwoord

foef

  1. (vulgair) vagina
  2. truc, handigheidje
    • Dit werkt niet. Weet jij daar een foefje voor? 
  3. uitvlucht, een (kleine) leugen, valse mededeling, drogreden, smoes
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3] Iemand een foefke vertellen.
iemand iets wijs maken

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be