flitsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flit·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
flitsen


flitste


geflitst


zwak -t volledig

Werkwoord

flitsen

  1. een flits veroorzaken, maken of gebruiken
    Om in het donker foto's te kunnen maken moet je flitsen.
  2. auto's fotograferen die te snel rijden om een boete te kunnen geven
    Mijn dochter en ik zijn tweemaal geflitst in Nijmegen.
  3. een snelle beweging maken
    De wielrenners van de Tour de France flitsen voorbij.
  4. korte vluchtige gedachten
    De rampen die zouden kunnen gebeuren flitsten door mijn hoofd toen ik de kinderen bij het ravijn zag spelen.

Zelfstandig naamwoord

flitsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord flits