flessen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fles·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
flessen
fleste
geflest
zwak -t volledig

Werkwoord

flessen

  1. overgankelijk bedriegen, oplichten
    • Hij heeft de boel geflest! 

Zelfstandig naamwoord

flessen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord fles

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Achterhoeks

Zelfstandig naamwoord

flessen

  1. meervoud van flesse


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

flessen

  1. meervoud van flesse