flessen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fles·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
flessen
fleste
geflest
zwak -t volledig

Werkwoord

flessen

  1. overgankelijk bedriegen, oplichten
    • Hij heeft de boel geflest! 

Zelfstandig naamwoord

flessen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord fles

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Achterhoeks

Zelfstandig naamwoord

flessen

  1. meervoud van flesse


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

flessen

  1. meervoud van flesse