flesje
Uiterlijk
- fles·je
het flesje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord fles
- ▸ In het huisje van glas staat een flesje raki (want je zal maar enorme dorst krijgen), een beeldje van Maria en, heel praktisch, een schuursponsje om de boel een beetje proper te houden.[1]
- ▸ Toen ik weer thuis was kocht ik ook een flesje Azzaro voor Emil, maar het spul bleek bij hem te stinken en verdween daarop in de goot.[2]
- Het woord flesje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280