flens

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flens
enkelvoud meervoud
naamwoord flens flenzen
verkleinwoord flensje flensjes

Zelfstandig naamwoord

flens m

  1. (techniek) een platte, vlakke metalen plaat of ring, bevestigd aan het uiteinde van een buis of pijp om een lekdichte verbinding met een andere pijp of een afdichting mogelijk te maken
    Die flens is beschadigd en maakt een goede afdichting onmogelijk.
  2. dunne pannenkoek
    Flenzen bakken.
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
flensen

flens

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flensen
    Ik flens.
  2. gebiedende wijs van flensen
    Flens!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flensen
    Flens je?
vervoeging van
flenzen

flens

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flenzen
    Ik flens.
  2. gebiedende wijs van flenzen
    Flens!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flenzen
    Flens je?

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie