flagrant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fla·grant
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zonneklaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen flagrant flagranter flagrantst
verbogen flagrante flagrantere flagrantste
partitief flagrants flagranters -

Bijvoeglijk naamwoord

flagrant

  1. op schokkende wijze duidelijk
    • Het drong op een flagrante manier tot hen door. 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen