fixatief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fixa·tief
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fixatief fixatieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fixatief o

  1. middel om iets vast te zetten, fixeermiddel
Vertalingen

Gangbaarheid

58 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be