finishen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Finishen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fi·ni·shen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
finishen
finishte
gefinisht
zwak -t volledig

Werkwoord

finishen

  1. ergatief (sport) de eindstreep van een racewedstrijd passeren
    • Hij finishte iets eerder dan zijn tegenstander. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.