fingeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fin·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verzinnen’ voor het eerst aangetroffen in 1351 [1]
  • afgeleid van het Latijnse 'fingere'
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fingeren
fingeerde
gefingeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

fingeren overgankelijk

  1. voorwenden
  2. verzinnen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders
32 % van de Vlamingen.

Verwijzingen