filmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fil·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
filmen
filmde
gefilmd
zwak -d volledig

Werkwoord

filmen

  1. bewegende beelden opnemen en vastleggen
     Voor mijn vertrek filmde ik alle drie mijn kinderen terwijl ik hun vroeg wat ze van mijn lange wandeling vonden en ik stelde ze ook een aantal fundamentele levensvragen om er later op terug te kunnen kijken.[1]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Deens

Woordafbreking
  • fil·men

Zelfstandig naamwoord

filmen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van film


Noors

Woordafbreking
  • fil·men
Naar frequentie 989

Zelfstandig naamwoord

filmen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van film


Nynorsk

Woordafbreking
  • fil·men

Zelfstandig naamwoord

filmen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van film


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
filmar

filmen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van filmar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van filmar