fiksheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiks·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van fiks met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord fiksheid fiksheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fiksheid v [1]

  1. het stoer, krachtig en flink zijn
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen