fikkie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fik·kie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘hond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1916 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord fikkie fikkies

Zelfstandig naamwoord

fikkie o dim. tant.

  1. hondje, meestal van een vuilnisbakkenras
    • Geef mijn portie maar aan fikkie. - Ik moet er niets van hebben. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Er zijn meer hondjes die fikkie heten
Meerdere personen hebben dezelfde naam

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen