fenomeen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fe·no·meen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verschijnsel’ voor het eerst aangetroffen in 1778 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord fenomeen fenomenen
verkleinwoord fenomeentje fenomeentjes

Zelfstandig naamwoord

fenomeen o

  1. een verschijnsel
    • In de Baptistenkerk aan de Hoofdweg zijn deze woensdagmorgen de groepen 6, 7 en 8 van de basisscholen De Blokstoeke en De Fontein bijeen. Want het is Dankdag voor Gewas en Arbeid. En waar in grote delen van Nederland deze christelijke feestdag een vrijwel onbekend fenomeen is geworden, wordt er hier in Westerhaar volop aandacht aan besteed. [3] 
  2. uniek verschijnsel, zeldzaam verschijnsel
  3. buitengewoon persoon
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • fe·no·meen

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord fenomeen fenomene

fenomeen

  1. fenomeen