feilloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • feil·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen feilloos feillozer feilloost
verbogen feilloze feillozere feillooste
partitief feilloos feillozers -

Bijvoeglijk naamwoord

feilloos

  1. perfect, zonder fouten
    • De wiskundeleraar had een feilloos geheugen voor formules. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen