feilbaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • feil·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen feilbaar feilbaarder feilbaarst
verbogen feilbare feilbaardere feilbaarste
partitief feilbaars feilbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

feilbaar

  1. de mogelijkheid hebbend om fouten te maken
    • De mens is een feilbaar wezen. 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.