feestte
Uiterlijk
- feest·te
| vervoeging van |
|---|
| feesten |
feestte
- enkelvoud verleden tijd van feesten
- Ik feestte.
- Jij feestte.
- Hij, zij, het feestte.
- Ik feestte.
- Het woord feestte staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.