feestgewoel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • feest·ge·woel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord feestgewoel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

feestgewoel o

  1. de drukke bewegingen van een feestende massa
    • Hij stortte zich met overgave en zijn zoveelste biertje in het feestgewoel. 

Gangbaarheid