fauna

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fau·na
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘dierenwereld’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1822 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord fauna fauna's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fauna v/m

  1. (biologie) het geheel aan dieren in een gebied
    • De fauna van dat eiland is nog zo goed als onveranderd over de laatste driehonderd jaar. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen