fanatisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·na·tisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fanatisch fanatischer
verbogen fanatische fanatischere
partitief fanatisch fanatischers -

Bijvoeglijk naamwoord

fanatisch [1]

  1. op een heel uitgesproken, extreme, fanatieke manier
     Zoals ze weleens zeggen: van boven lijk ik op mijn moeder en van onder op mijn vader. Nee, ik draag de familienaam, maar verder lijk ik in weinig op hem. Het was een goudeerlijke man, maar fanatisch links. En dat ben ik niet.[2]
     Bijzonder knap is hoe de auteurs in hun boek deze urgentie overbrengen. Dat geeft vaart en kracht aan het boek. De lezer ziet telkens weer die vreselijke T-splitsing op zich afkomen. Maar het geeft dit pamflet ook iets fanatisch, met uitdrukkingen als „nu of nooit” en „alles of niets.”[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Geschreven door:Nick Muller “Eddy Posthuma de Boer: ‘Ik ben gezegend met twee geheugens’” (14/12/2017), HP de Tijd
  3. Bronlink Weblink bron Evert van Vlastuin “Europa als de enige ware leer; het gedram van Verhofstadt en Cohn-Bendit” (22-12-2012), Reformatorisch Dagblad