familiezaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·mi·lie·zaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord familiezaak familiezaken
verkleinwoord familiezaakje familiezaakjes

Zelfstandig naamwoord

familiezaak v/m [1]

  1. een kwestie die de familie aangaat
    • De Franse minister Laurence Rossignol (van familiezaken, kinderen en vrouwenrechten) dacht in reactie op het boerkinigedoe duidelijk ook aan vroeger tijden: zij noemde de boerkini ‘archaïsch’. Een tikje overdreven, want zo ver weg is de negentiende eeuw nu ook weer niet, maar ze bedoelde wel, bleek uit de context: zo deden wij dat vroeger ook. Maar nu niet meer. „Er schuilt een idee over de samenleving achter, een visie op de plaats van de vrouw”, zei ze. Dat klopt. Maar dat geldt, zou je zeggen, ook voor het dragen van de ‘gewone’ bikini. Het is niet per se een bevrijding om je als vrouw zo bloot te moeten geven aan het strand. Al die meisjes en vrouwen die zich zorgen maken over hun figuur: vrouwen moeten slank zijn, aantrekkelijk, liefst jong - over een visie op de plaats van de vrouw gesproken.[2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Marjoleine de Vos 21 augustus 2016